Over Beatrix van Heusen.

Wie bij een bezoek aan het Paulushofje boven de ingang kijkt, ziet een steen, waarin de volgende tekst staat gebeiteld:

Ter eeren Godts en van Godts uytverkoren Vat
Sint Paulus, tot gebruyck van dertien arme vrouwen
Hr. Joost de Nobelaer dit Godtshuis heeft doen bouwen
Gelijck Vrouw Beatrix van Heussen eertijds hadt
Sijn soon  Heer Jan Louis belast bij codicilie
Die sijnde door de doodt van dat te doen belet
Voldeed sijn vader dus aan beyder goede wille
En gaf de grondt van ’t sijn, daarop het is geset

MDCLXXXI     Romane

 

Beatrix van Heussen is de vrouw die het mogelijk heeft gemaakt dat het Paulushofje in Etten-Leur gebouwd is. Het feit dat er nu nog steeds vrouwen wonen is in feite haar bijzondere nalatenschap.
Ik wil hier een tipje van de sluier oplichten van de vrouw die Beatrix mogelijk geweest is.
Hiervoor heb ik een citaat uit ‘Bijdrage tot de geschiedenis van Etten-Leur III’ gebruikt en combineer dat met een citaat van Jacob Slavenburg, historicus, over de renaissance die ten tijde van Beatrix over Europa en dus ook de Nederlanden uitwaaierde.
Dat heeft me tenslotte geïnspireerd tot de woorden die Beatrix gesproken zou kunnen hebben. Woorden van toen, die ook nu zeer actueel zijn.

“Wie was vrouwe Beatrix van Heussen, die hier voor ons opdaagt als de vrome weldoenster, aan wie het St. Paulushofje in Etten zijn ontstaan te danken heeft?
Zij werd in 1580 in Leiden geboren en was een telg van een aanzienlijk geslacht, waarvan verschillende leden in de sleutelstad een vooraanstaande positie hebben bekleed. Zij trad in het huwelijk met Jacob van der Mey. Uit dit huwelijk werd één kind geboren, een dochter, die dezelfde voornaam kreeg als haar moeder.
Van Beatrix van Heussen zijn ons geen bijzonderheden bekend, zodat wij ons van haar persoonlijkheid nauwelijks een beeld kunnen vormen. Ze is haar geboortestad trouw gebleven, maar zal daar teruggetrokken hebben geleefd, zoals volgens toenmalige opvattingen een goede huisvrouw betaamde. Ze moet de beschikking hebben gehad, over een vrij aanzienlijk vermogen, want nadat ze weduwe was geworden, bepaalde zij in een aanvulling op haar testament, nl. in een codicil van 19 mei 1647, dat bij kinderloos overlijden van haar dochter een bedrag van fl 25.000,- van haar nalatenschap bestemd zou zijn voor de stichting van een hofje voor dertien oude vrouwen, hetwelk, het st Paulushofje genoemd moest worden.
Ook beschikte zij dat de opbrengst van landerijen onder Noordwijk, Noordwijkerhout en Voorhout, waarin zij een gedeelte van haar vermogen belegde, het inkomen van de fundatie zou uitmaken.

Een plaats voor dit nieuwe hofje wees Beatrix niet aan, maar zij zal vanzelfsprekend gevonden hebben, dat het in Leiden zou komen.

 

Dochter Beatrix heeft twee erfgenamen, haar man en een achterneef, ene Jan Louis de Nobelaer, aangewezen om de laatste wilsbeschikking van haar moeder ten uit voer te brengen. Deze Jan Louis sterft vroeg en dan wordt het diens vader, Justus de Nobelaer die de wil van Beatrix van Heussen uitvoert.
Justus de Nobelaer heeft een landgoed in Etten-Leur. Wat lag er meer voor de hand om dus het hofje voor dertien oude vrouwen te stichten op zijn eigen grond, in Etten-Leur.
En zo gebeurde. De oprichting van het hofje door Justus de Nobelaer was een weldaad voor Etten-Leur. Er was geen instelling die oude mensen kon opvangen en met het hofje kwam die opvang er wel. De bejaarde vrouwen mochten er vrij wonen, ontvingen uit het vermogen van de stichting st. Paulushofje wekelijks een bescheiden uitkering en eens per jaar een hoeveelheid brandstof voor de winter. Zo kon ieder vrouwtje in een afzonderlijk huisje haar eigen leven leiden.”
(Uit: ‘Bijdrage tot de geschiedenis van Etten-Leur III: Ten behoeve van dertien arme vrouwen’
Door: H.G.J. Buijks e.a., uitgave van st. Heemkundekring ‘Jan uten Houte’1991)

 

En nu terug naar onze Beatrix van Heussen.
Ik stel me voor dat deze vrouwe Beatrix van Heussen, een vrouw die in staat was om geld te beleggen, heeft kunnen lezen. Ik heb mijn gedachten laten gaan en een beeld opgebouwd omtrent deze vrouw.
Let wel, het is mijn beeld, aan u of u zich daarin wilt vinden.

Rond 1500 vindt er in Italië een renaissance plaats die meer dan een eeuw geduurd heeft en zich over Europa verspreidde.
Toen Beatrix werd geboren in 1580 was er ook in Nederland sprake van deze renaissance.
Ik stel me voor dat het aannemelijk is dat ook Beatrix op de hoogte was van het gedachtegoed daarvan.

“In Florence en Venetië duiken aan het eind van de 15e eeuw plotseling twee Griekse exemplaren op uit het verloren gewaande Corpus Hermeticum van de legendarische Hermes Trismegistus. Het valt in uiterst vruchtbare bodem in een uiterst liberaal cultureel klimaat. Het hermetisme heeft een krachtige invloed op kunst, filosofie, theologie en heelkunst. Het vormt de inspiratiebron voor vele grote geesten, zelfs nog in de eeuwen daarna.

Centraal in de leringen van Hermes staat de eenheid van alles. Alles is met alles verbonden in een oneindige samenhang. Natuurlijk is er sprake van grote verscheidenheid, maar alles komt uit het Ene voort. Het Ene wordt in de hermetica vaak God genoemd, maar staat los van een religie. Dit Ene, deze God, is eeuwig en onvergankelijk. Datgene waar alles uit voortvloeit en waar alles weer tot terugkeert.
De Ene is zichtbaar in de schitterende natuur, in het menselijk lichaam, in de dieren, planten, de mineralen. Onze menselijke Ziel is onsterfelijk en maakt deel uit van de Anima Mundi, van het Ene.”
 (uit: ‘Westerse esoterie en oosterse wijsheid, de esoterische traditie door de eeuwen heen’
Door: Jacob Slavenburg en John van Schaik, uitgeverij Ankh- Hermes 2010)

 

Dit hermetisch godsbeeld is een pan-en-theistisch godsbeeld: het zegt dat God in ons én in de natuur aanwezig is. Daarmee is het een wereldbeeld dat vol respect is voor de medemens, de aarde en de natuur. En dat is precies de kern van wie Beatrix was: een mens die zich verbonden voelde met de medemens, respect had ook voor hen die hulp behoefden. En ze was iemand die met haar landgoederen, de schoonheid en kracht van de natuur heeft gekend. Vandaar dat ik denk dat Beatrix de volgende woorden gezegd zou kunnen hebben:

Ene boodscap uytder tyde der verlichting

Uyt mijne nalaaten schap heb ik f 25.000,-
achtergelate ten behoeve van de bouw van
dertien arme vrouwenhuyse.

Ik vermag te denken ende te hopen
dat na myne tyde
andre menschen my tot voorbeeld nemen.
De werelt is ons geschonken
dat vermag dat ook ik ontvanger ben
evnzoo als myn medemenschen.

Met myne nalaatenschap ben ik
ook tot schenker geworde.
De ontvanger heeft de pligte
in overeenstemming met
de schepping te leven.

Alles is de Anima Mundi ende
maakt daar deel van uit.
Dus ga met ere om met de beesten,
de bomen ende de bloemen.
Ende zeker met de menschen.
Nodig de Mohr uit Spanje aan uw tafel
en u zult aan de zijne genodhigd worden.

Wees niet bevreesd voor schaarste,
doch handel uyt overvloed
er is werkelijk voor elk ieder voldoende.

En bedenkt u telkens weder
waarin u zelve den ontvanger bent
en waarin de ghever. Beatrix der Lage landen

Myriam Verwiel april 2011